Terugblik LLO Diner Pensant

Dinsdagavond 6 februari 2024 organiseerde CINOP in het Leerhotel Het Klooster in Amersfoort een diner pensant over Leven Lang Ontwikkelen (LLO). Bestuurders en directeuren uit het mbo en het hbo gingen onder begeleiding van gespreksleiders met elkaar het gesprek aan over LLO en de rol die het bekostigd beroepsonderwijs hierbij heeft. Dat gebeurde in drie gangen, elk voorafgegaan door een inleidende keynote. Hiervoor had CINOP enkele gerenommeerde gastsprekers uitgenodigd, waaronder Doekle Terpstra (voorzitter Techniek Nederland, lid van het dagelijks bestuur van VNO-NCW en voorzitter van TKI Bouw en Techniek) en Laureen Rwatirera (Chief Learning Officer bij ASML).

Meer dan 40 bestuurders en directeuren uit het mbo en het hbo. Zes volle tafels, die onder begeleiding van zes CINOP-specialisten (directeur-bestuurder Robbert Koldenhof, directeur Sara van Kesteren, LLO-adviseurs Tijs Pijls, Jos van Zwieten, Margret Mulders en Maartje Stroo) in drie gangen eerst luisteren naar een keynote-spreker en daarna het gesprek met elkaar aangaan over Leven Lang Ontwikkelen. Zie daar de opzet van het LLO Diner Pensant, een avond van nieuwe inzichten, impulsen en vervolgstappen. Voor de gasten, maar ook voor het bedienende personeel: de ene groep is ‘didactisch materiaal’ voor de andere groep. De maaltijd en de bediening zijn namelijk in handen van studenten van MBO Amersfoort; de gasten laven zich aan smakelijke gerechten, maar krijgen ook food for thought geserveerd. Met als eerste gang: de keynote van Doekle Terpstra.

Eerste gang: Doekle Terpstra, voorzitter Techniek Nederland

Haak aan bij de opleidingsinfrastructuur binnen bedrijven.

Doekle Terpstra is voorzitter van Techniek Nederland, de ondernemersorganisatie voor de installatiebranche en de technische detailhandel. Daarnaast is hij lid van het dagelijks bestuur van VNO-NCW en voorzitter van TKI Bouw en Techniek. In zijn verhaal schets hij allereerst een aantal bewegingen die hij toejuicht. Terpstra ziet bij het beroepsonderwijs een intrinsieke overtuiging om de samenwerking met het werkveld te intensiveren. Er is een oprechte wil om elkaar te vinden, elkaar beter te begrijpen, te luisteren naar elkaar en te kijken wat er voor elkaar gedaan kan worden. ‘We zetten samen stappen die ik een paar jaar geleden op deze manier niet had verwacht’, vertelt hij.

De Grote Verbouwing van Nederland

Terpstra ziet ook prachtige voorbeelden van hoe het ecosysteem zich ontwikkelt. Dat is hard nodig. Alle grote maatschappelijke uitdagingen moeten via de installatietechniek in goede banen worden geleid, aldus de voorzitter van Techniek Nederland. Dagelijks zijn er meer dan 200.000 installatietechnici bezig met de Grote Verbouwing van Nederland. Om Nederland te verduurzamen, zijn er echter nog veel meer krachten nodig: op dit moment zijn er 30.000 vacatures. Daarnaast is er een jaarlijkse instroombehoefte van 20.000. 70 procent daarvan komt via de zijinstroom de branche binnen. Deze mensen kiezen voor de installatietechniek omdat ze bij willen dragen aan de verduurzaming van ons land, onderstreept Terpstra. Hij poneert vervolgens een dubbele uitdaging. Deze nieuwe krachten moeten we uitrusten met de skills voor de toekomst, maar ook de gehele bestaande populatie moet klaargestoomd worden voor de ontwikkelingen van morgen en overmorgen. Op alle niveaus: mbo, hbo én wo. Een intensivering van de samenwerking tussen bedrijfsleven en onderwijs is zodoende een must.

Twee werelden

De bereidheid van het beroepsonderwijs om in te spelen op de (toekomstige) ontwikkelingen bij de bedrijven is groot. Dit vertaalt zich gelijk in onderwijsaanbod. Maar komt dat aanbod overeen met de vraag van het werkveld? Onderwijsinstellingen moeten leren om echt te luisteren naar bedrijven om de vraag (achter de vraag) te leren begrijpen, vindt Terpstra. Hij stelt dat er weliswaar veel met elkaar gesproken wordt, maar er is en blijft een moeilijk te overbruggen kloof tussen ondernemers en het onderwijs. Dit blijkt ook uit het verschil tussen brancheopleidingen en reguliere opleidingen. ‘Waarom zitten de klassen van eigen opleiders vol en die van het reguliere onderwijs niet?’, vraagt Terpstra zich hardop af. Het zijn twee verschillende werelden, elk met een eigen taal en cultuur. En een eigen tempo: de bedrijven zitten in het ritme van de dag, terwijl de scholen bewegen op het ritme van 3 tot 4 jaar. Dit draagt bij aan het ‘jullie zijn niet van ons’-gevoel bij de bedrijven.

Vraagarticulatie

Al deze verschillen zorgen ervoor dat de vraagarticulatie – hier hebben wij bedrijven behoefte aan – onduidelijk is. Vooral MKB-ondernemers hebben moeite hun specifieke hulpvraag bij het onderwijs over te brengen. Mede hierdoor blijft het dus angstig stil bij een opleiding aangeboden door het bekostigd onderwijs, terwijl het storm loopt bij eenzelfde opleiding die opgezet is vanuit de opleidingsinfrastructuur van de branche en de bedrijven zelf. ‘Vertrek dus niet vanuit het mbo of hbo, maar haak aan bij die opleidingsinfrastructuur’, benadrukt Terpstra. ‘Daar kunnen jullie, met jullie didactische kennis en kunde, zorgen voor een enorme kwaliteitsboost!’

Begrijpen we elkaar?

De keynote van Doekle Terpstra blijkt een mooie opmaat voor levendige gesprekken. Aan de diverse tafels gaan de bestuurders en directeuren onder genot van het voorgerecht met elkaar het gesprek aan. Bijvoorbeeld over de inzet op techniek bij de grote uitdagingen van onze tijd. Bij de vele transities die we de komende jaren doorlopen, spelen mensen en techniek de hoofdrol. Dat is evident. Logisch ook dat juist de voorzitter van Techniek Nederland dit onderstreept. Maar de maatschappelijke opgave is veel breder en vertaald naar LLO niet eenduidig. Er is grote variëteit nodig om tot passend aanbod te komen, met mogelijk zeer verschillende oplossingen qua inhoud en organisatie. Dan moeten we elkaar wel begrijpen, een kwestie die ook bij de tafelgenoten speelt. Begrip is essentieel voor de vraagarticulatie: speelt het aanbod van het onderwijs in op de behoefte van de bedrijven? Het onderwijs en het bedrijfsleven zijn inderdaad twee verschillende werelden, klinkt het aan menig tafel. Cultuur, taal en tempo zijn anders. Bovendien is het ondoenlijk om als accountmanager alle kleine MKB-bedrijven te bezoeken en te vragen waar zij specifiek behoefte aan hebben.

Wat vaak ook botst is de maatschappelijk opdracht die mbo-scholen en hogescholen hebben. Door LLO bevinden ze zich vaak in een concurrerende positie en moeten ze bij een aanbesteding de strijd aangaan met andere (vaak private) opleiders. Bij sommige tafelgenoten is het de ervaring dat met name het MKB een drempel ervaart richting de ‘grote’ ROC’s en AOC’s. Onbekostigd onderwijs via de branche is laagdrempeliger; het vertrouwen hierin is groter. Hoe deal je daarmee? Eigenlijk zou heel LLO een publieke taak moeten worden, stelt een van de discussiedeelnemers. De private opleiders pakken de krenten uit de pap en hebben perverse belangen in relatie tot de kwaliteit. Maar daar is de rest van de tafel het niet mee eens.

Focus en werk samen met andere onderwijsinstellingen

Ondanks de verschillen is de bereidwilligheid om samen te werken groot. Het bekostigd onderwijs kan echter niet iedereen bedienen, hoe groot de drive om dit te doen ook is. Aanhaken bij de opleidingsinfrastructuur van een branche of sector is zeker een oplossingsrichting, maar niet elke branche heeft zo’n sterke infrastructuur als de installatiebranche. Een andere oplossing is het beter benutten van de onderwijsinfrastructuur in je regio: werk samen met andere onderwijsinstellingen, zodat je het opleidingsaanbod flexibeler kunt organiseren (meerdere locaties, meerdere inschrijvingstermijnen). Dat doet het particuliere opleidingsinstituut NCOI ook: het lijkt dan maatwerk vanwege de keuzemogelijkheden, maar in feite is het standaardaanbod vanuit een flexibele bedrijfsvoering. Let wel op dat je niet flexibiliseert om het flexibiliseren. Want dat is nutteloos. Je moet goed kijken wie je doelgroep is en daarop inspelen. Flexibiliseren mag ook geen individualiseren worden: de community blijft heel relevant. Daarnaast is het belangrijk om niet ‘alles’ te willen. Focus op gebieden/sectoren waar het succesvol is/kan zijn (van daaruit kun je doorrollen).

Tweede gang: Laureen Rwatirera, Chief Learning Officer bij ASML

Discover your passion, get an income!

Generatie (Gen) Z’ers gaan ongeveer acht keer in hun leven van carrière wisselen. Je leest het goed: niet van baan, maar van loopbaan. Hun grootste angst is een vast contract. Ze volgen hun passie, zoeken naar unieke uitdagingen en willen na een aantal maanden graag een ander, bij voorkeur betekenisvol project in een andere context uitvoeren. Hun kennis en kunde is zeer gewild. Vandaar dat ze, als de mogelijkheid zich voordoet, hun hart volgen naar een nieuwe uitdaging. ‘Als je een softwareontwikkelaar 18 maanden aan je bedrijf kunt binden, heb je het dus eigenlijk goed gedaan’, stelt Laureen Rwatirera in haar keynote. Als Chief Learning Officer verzorgt zij, samen met 480 (!) collega’s, de ‘learning & knowledgement’-activiteiten van techgigant ASML. Zij proberen niet alleen de ‘pipeline of skills’ in het bedrijf gevuld te houden, maar bedienen het hele ecosysteem van toeleveranciers, partners en maatschappelijke omgeving. Om aan de enorme capaciteitsvraag – er zijn 70.000 nieuwe krachten nodig – te voldoen, werkt ASML nauw samen met particuliere opleiders en bekostigde onderwijsinstellingen als Summa en Fontys. Daarbij spelen passie en nieuwsgierigheid een grote rol. Een Leven Lang Ontwikkelen is voor Rwatirera een leven lang je hart volgen.

Let’s pilot together!

Hierbij is een belangrijke rol weggelegd voor leercommunities en alumnibeleid: om de volgende stap te maken in je loopbaan kun je steeds terugkeren naar het opleidingsinstituut dat je al zo ver heeft gevraagd. ‘What got you here, is now going to take you there’. En wat ook belangrijk is: met de kennis en kunde die deze alumni opgedaan hebben in het werkveld, kunnen ze de opleiding die zij ooit volgden helpen optimaliseren. Met dergelijke partnerships kunnen bedrijven en onderwijsinstellingen grote stappen maken. Het is een van de manieren om mogelijkheden te creëren waardoor mensen in beweging kunnen blijven. Daarbij zijn ondernemerschap en lef sleutelbegrippen. Het hoeft niet perfect te zijn. Durf te experimenteren. Oftewel in de woorden van Rwatirera: ‘Let’s pilot together!’

Experimenteren zonder de last van crebo’s en kwalificaties

Geïnspireerd door de woorden van Laureen Rwatirera snijden de bestuurders en directeuren het hoofdgerecht en daarmee ook diverse nieuwe LLO-thema’s aan. Volgens een van hen slaagt het Nederlandse onderwijssysteem erin om elke vorm van nieuwsgierigheid die je op vierjarige leeftijd hebt, te verdrijven voordat je 18 wordt. En dan vinden wij het vreemd dat er maar weinig mensen zijn die automatisch een LLO-traject willen gaan doen… We moeten daar toch op een andere manier naar kijken, vinden enkele disgenoten. Als we ons onderwijsaanbod in de basis verbreden – met aandacht voor prikkelen, nieuwsgierigheid, ontwikkelingsbereidheid en wendbaarheid – stimuleert dit de inzet op LLO, zo stelt iemand. Met dat fundament kun je later allerlei vakspecialisaties leren, steeds in een andere context. En ja, alumni dragen zeker bij aan LLO. Ook de oproep om samen met het bedrijfsleven pilots op te zetten, zien de bestuurders en directeuren zitten. Hierbij moeten we vooral meer fluïde kijken wat een beroepsoefenaar nodig heeft, zonder te denken in crebo’s en kwalificaties. In het bedrijfsleven werken ze aan producten waarvan we in het onderwijs nog nooit hebben gehoord, laat een van de tafelgenoten weten. Voordat we daar een kwalificatiedossier voor hebben ontwikkeld, zijn we 8 jaar verder. LLO is nog niet beregeld. Daar zit nog ruimte, daar zijn nog mogelijkheden.

Je passie volgen

Ook onderwerp van gesprek: de utopie van maakbaarheid. Ja, er zijn grote tekorten in de techniek, de zorg en het onderwijs. Maar niet iedereen wil in die sectoren werken. Hun hart ligt ergens anders. Dat is niet louter voorbehouden aan Gen-Z. Een LLO-traject wordt veel aantrekkelijker als je daardoor je passie kunt volgen. Dat moeten we – onderwijs en bedrijfsleven – faciliteren: Discover your passion, get an income! We moeten op een andere manier kijken naar de opleidingsstructuur, maar ook naar mensen. Er zijn veel meer mogelijkheden, maar dat vraagt om creativiteit. We moeten leeromgevingen creëren waar mensen enthousiast van worden, die aansluiten op hun passie. Een leeromgeving dus waar veel aandacht is voor praktijk en voor de interesse van studenten. Zo redenerend heeft LLO dus een duidelijke verbinding met LOB/SLB, een conclusie die ook aan een van de tafels getrokken wordt.

Derde gang: Tijs Pijls & Marget Mulders (CINOP)

Hoe maken we van een mammoettanker een vloot van wendbare bootjes?

De eer om de derde stelling en daarmee ook de derde gang in te luiden, is aan Tijs Pijls en Margret Mulders (CINOP). Tijs neemt de tafelgenoten mee naar de jaren ’80 toen het dan nog fonkelnieuwe ROC werd neergezet als de ‘buurtsuper’ waar jong en oud datgene kan halen wat hij of zij nodig heeft om te leren. Nu, in 2024, zien we dat het merendeel van het LLO-aanbod non-formeel van aard is en voor circa 85 procent door private opleiders verzorgd wordt (bron: Kamerbrief Vervolg beleidslijnen LLO). De ‘buurtsuper’-vlieger gaat dus nog niet op. Natuurlijk: er zijn veel mooie initiatieven en samenwerkingsverbanden, waarbij de Onderwijswijsagenda, het Groeifonds en de LLO-Katalysator zorgen voor de juiste prikkels. Maar dit maakt het bekostigd onderwijs beslist (nog) geen LLO-hofleverancier. Daarnaast is er een ‘LLO-isering’ gaande in het bekostigd onderwijs: mbo-scholen en hogescholen willen vanuit hun huidige aanbod de vraag van de arbeidsmarkt beantwoorden, onder meer door dit aanbod te flexibiliseren. De vraag is of dat gaat lukken met de huidige bedrijfsvoering. Want onze scholen zijn vaak mammoettankers met een grote motor die uitstekend in staat zijn om drie- en vierjarige trajecten voor initiële studenten te ontwikkelen en die op een mooie manier aan te bieden. Kun je daarvan wendbare bootjes maken die vraaggestuurd kunnen inspelen op de behoefte van de arbeidsmarkt?

LLO-scan

Het is een vraag waarmee veel scholen worstelen. Dat blijkt uit de ‘LLO doen we zo’-scan die CINOP inmiddels bij enkele scholen heeft uitgevoerd. De scan biedt scholen ondersteuning in de organisatie van goed onderwijs voor volwassenen, onder andere door inzicht in de huidige situatie te bieden en handvatten te geven op weg naar de gewenste situatie. De scan laat zien dat diverse scholen nog niet goed weten hoe zij met LLO aan de slag willen en kunnen gaan. Kiezen ze voor aanhaken op de opleidingsinfrastructuur bij de branches en sectoren, zoals Doekle Terpstra graag zou zien? Gaan de scholen het huidige aanbod flexibiliseren? Of, nog ingrijpender, de bedrijfsprocessen aanpassen?

LLO-bouwstenen

Een pasklaar antwoord is er niet. Wel zijn er enkele bouwstenen die de scholen bij het ontwikkelen van hun missie en visie op LLO kunnen gebruiken. Zo komt uit de LLO-scan het belang van een sterk alumnibeleid naar voren. Eerder op de avond benoemde Laureen Rwatirera van ASML dit ook al. Het is een geluid dat al vaker klonk: Andries de Grip, hoogleraar ‘Bedrijfs- en Beroepsscholing en Arbeidsmarkt’ in de School of Business and Economics, noemde in zijn afscheidsrede alumnibeleid een van de belangrijkste pijlers van LLO. Een tweede bouwsteen is professionalisering op alle vlakken binnen de scholen. Ook voor docenten is professionalisering nodig, want didactiek voor volwassenen is toch echt anders. Een derde bouwsteen is het creëren van draagvlak binnen je school om LLO-activiteiten te ontplooien. De mate van draagvlak varieert van school tot school. Als een school een aparte LLO-tak opzet, gedragen door mensen die toch al nauw samenwerken met bedrijven, is het draagvlak daar hoog. Maar bij de traditionelere docententeams binnen diezelfde school is het draagvlak dan vaak weer veel lager.

Onderwijsinstellingen op de schop?

De metafoor van de om te katten mammoettanker roept aan de discussietafels de vraag op of de ROC’s en hogescholen op de schop moeten om LLO goed vorm en inhoud te geven en tot aan het pensioen aantrekkelijk te maken. Een van de tafelgenoten verwacht niet dat dat het systeem zich voldoende snel kan aanpassen aan de vraag van het bedrijfsleven. Disruptie is onvermijdelijk. Nee, de scholen hoeven niet op de schop, stelt de ander. Er is veel ruimte en er zijn voldoende mogelijkheden in het huidige systeem. Kijk naar de doelgroep, het type opdracht en faciliteer dat. Of, stelt een ander: maak van LLO een wettelijke opdracht, dan wordt het een toevoeging aan de bestaande inzet vanuit onderwijs. Volledig reguleren is dan niet nodig, al moet de financiering wel goed geregeld worden. Anders komt er niets van de grond, zijn de risico’s te groot en blijft de inzet te incidenteel en projectgebonden. Je zou ook kunnen nadenken over andere, passende vormen van opsplitsing in eenheden op basis van nieuwe ontwerpcriteria die passen bij de maatschappelijke opgave. Samenwerking tussen onderwijsinstellingen in dezelfde regio moet sowieso bevorderd worden, zodat er ook een LLO-pad mogelijk is van mbo naar hbo naar wo. Er moet dan wel een professionele ondersteuningsstructuur voor studenten zijn. Daarnaast verdienen professionalisering en stimulering van docenten de nodige aandacht, iets wat ook in de LLO-scan duidelijk naar voren kwam. Hun rol verandert immers van ‘opleider’ naar ‘ontwikkelaar/trainer/coach’.

Tot slot

De laatste dessertlepels worden neergelegd, de laatste woorden uitgesproken. Het was een mooie avond van luisteren en gehoord worden. Van ervaringen, kansen, inzichten en zorgen delen. Van DIM-gesprekken (Denken in Mogelijkheden) en DIP-gesprekken (Denken in Problemen). Duidelijk is in ieder geval dat de bereidwilligheid van het mbo en het hbo om LLO-hofleverancier te worden zeer groot is. Hiervoor is er wel creativiteit, ruimte en focus nodig. Er is al met al nog veel werk te verzetten.