Nieuwe kwalificatie-eisen burgerschap: aanleiding voor een andere kijk op leren en beoordelen
Nieuwe kwalificatie-eisen voor burgerschap: tijd om ook anders naar kwalificeren te kijken?
Vanaf studiejaar 2027-2028 wordt burgerschap in het mbo een examenvak met een instellingsexamen. De huidige inspanningsverplichting maakt plaats voor een resultaatverplichting. Veel gesprekken gaan sindsdien over de examenvorm. Gaan we werken met een portfolio? Hoe ziet het instellingsexamen eruit? En wat betekent dit voor de diplomering? Dit zijn allemaal logische vragen. Toch raken ze niet de kern van de verandering. De nieuwe kwalificatie-eisen dwingen opleidingen namelijk eerst een andere vraag te beantwoorden: hoe beoordeel je competenties die zich ontwikkelen over langere tijd en zich vooral laten zien in de praktijk?
Meer dan een kennisvak
Met de vernieuwde kwalificatie-eisen verschuift het accent binnen burgerschap. Studenten moeten niet alleen kennis hebben van de democratische rechtsstaat of maatschappelijke thema’s. Van hen wordt ook verwacht dat zij maatschappelijke vraagstukken onderzoeken, verschillende perspectieven kunnen afwegen, omgaan met dilemma’s en verantwoorde keuzes maken. Dat maakt burgerschap een vak waarin kennis, vaardigheden en houding onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
Een student kan tijdens een debat overtuigend argumenteren. Tijdens de BPV kan dezelfde student laten zien hoe zij omgaat met culturele verschillen of een ethisch dilemma. In een reflectie laat zij zien wat zij daarvan heeft geleerd. Al die momenten zeggen iets over de ontwikkeling van de student, maar geen enkel moment vertelt het hele verhaal.
Wanneer weet je genoeg?
Bij veel vakken geeft een toets een redelijk betrouwbaar beeld van wat een student kent en kan. Bij burgerschap ligt dat minder voor de hand. De nieuwe kwalificatie-eisen gaan immers over complexe leeruitkomsten die zich ontwikkelen in verschillende contexten. Dat roept een fundamentele vraag op: wanneer heb je voldoende informatie om een student te kwalificeren?
Het antwoord zit waarschijnlijk niet in één toets of één eindgesprek. Daarvoor is de ontwikkeling van burgerschapscompetenties te veelzijdig. Studenten laten op verschillende momenten zien hoe zij denken, handelen en reflecteren. Om recht te doen aan wat de student tijdens het leerproces heeft laten zien is het de uitdaging is om die informatie op een betekenisvolle manier samen te brengen.

Een portfolio helpt, maar is niet het vertrekpunt
In de beleidsuitwerking noemt Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) een portfolio als waarschijnlijke vorm van het instellingsexamen. Dat klinkt logisch. Een portfolio biedt ruimte om ervaringen, beroepsproducten, praktijkopdrachten en reflecties te verzamelen. Toch zou het jammer zijn als de discussie vooral over het portfolio gaat. Een portfolio is namelijk geen beoordelingsvisie. Het is een hulpmiddel om informatie vast te leggen over de ontwikkeling van de student. De kwaliteit van het examen wordt uiteindelijk bepaald door andere vragen. Welke ervaringen leveren relevante informatie op? Welke feedback en feedforward krijgt een student onderweg? Hoe weeg je verschillende bewijzen? En hoe kom je tot een zorgvuldig en navolgbaar oordeel? Daar ligt de echte ontwerpvraag.
Een logische stap naar lerend kwalificeren
Het is dan ook niet vreemd dat steeds meer mbo-instellingen verkennen wat lerend kwalificeren voor hun opleiding kan betekenen. Lerend kwalificeren is een manier van afsluiten en beoordelen waarbij leren en kwalificeren met elkaar verbonden blijven. In plaats van losse, beslissende toetsen vindt bij lerend kwalificeren de verantwoording plaats op basis van een veelheid aan bewijzen. Deze bewijzen worden gedurende het leerproces van de student verzameld en gebruikt om een uitspraak te doen over het al dan niet voldoen aan (een deel van) de kwalificatie-eisen.
Bij lerend kwalificeren vormt niet één beslissend examenmoment de basis voor het eindoordeel. Studenten bouwen gedurende de opleiding aan een rijk beeld van hun ontwikkeling. Observaties tijdens de BPV, beroepsproducten, feedback, praktijkopdrachten, reflecties en gesprekken dragen allemaal bij aan de uiteindelijke kwalificatiebeslissing.
Die benadering sluit goed aan bij de nieuwe kwalificatie-eisen voor burgerschap. Niet omdat burgerschap een uitzonderlijk vak is, maar omdat veel burgerschapscompetenties zich pas echt laten zien in authentieke situaties. Ze ontwikkelen zich bovendien over langere tijd. Dat vraagt om een beoordeling die recht doet aan die ontwikkeling.
Dat betekent overigens niet dat lerend kwalificeren eenvoudig is. Integendeel. Teams zullen met elkaar moeten bepalen wanneer bewijzen betekenisvol zijn, op wel punt er voldoende informatie is verzameld en hoe zij samen tot een betrouwbaar oordeel komen. Hierbij is het natuurlijk van belang dat het aansluit bij het team, de beroepscontext maar vooral ook bij de visie op onderwijs en afsluiting.
Van examenontwikkeling naar onderwijsontwikkeling
De nieuwe kwalificatie-eisen voor burgerschap vragen daarmee om meer dan een andere vorm van examineren. Ze nodigen opleidingen uit om opnieuw te kijken naar de manier waarop studenten zich ontwikkelen en hoe die ontwikkeling zichtbaar wordt gemaakt. Maar weten waarom verandering nodig is, is slechts het begin. De volgende stap is de vertaling naar de onderwijspraktijk. Hoe ontwerp je een leerroute waarin studenten gedurende hun opleiding kunnen werken aan de burgerschapsdoelen en waarin ontwikkeling zichtbaar wordt?
In de volgende blog gaan we in op de ontwerpkeuzes die daarbij komen kijken: van kwalificatie-eisen naar leeruitkomsten, leeractiviteiten en passende vormen van bewijs. Daarbij staat de vraag centraal hoe lerend kwalificeren kan helpen om leren en kwalificeren sterker met elkaar te verbinden.
Geschreven door Evelyne Waterschoot en Nina van Veldhuizen


