Burgerschap in het vo: van herstelopdracht naar toekomstgericht onderwijs
Burgerschap staat volop in de aandacht binnen het voortgezet onderwijs. Na kritische signalen van de Inspectie zoeken veel scholen naar manieren om hun aanpak te versterken en meer samenhang aan te brengen. Wat vraagt goed burgerschapsonderwijs vandaag de dag en hoe maak je de stap van herstelopdracht naar toekomstgerichte visie? In gesprek met adviseur Romy Schouten.
In gesprek met adviseur Romy Schouten
In 2025 gaf de Inspectie van het Onderwijs een duidelijk signaal: bij bijna 65% van de bezochte scholen in het voortgezet onderwijs bleek het burgerschapsonderwijs nog onvoldoende doelgericht, samenhangend of afgestemd op de populatie. Veel scholen kregen daarom een herstelopdracht voor burgerschap. Sindsdien merkt adviseur Romy Schouten dat scholen zich afvragen hoe ze, op een constructieve manier, aan de slag moeten gaan met de verbeterpunten.
‘Wat ik vaak zie,’ vertelt Romy, ‘is dat scholen eigenlijk al veel doen aan burgerschap. Docenten organiseren projecten, besteden aandacht aan maatschappelijke thema’s of brengen met hun klas een bezoek aan de Tweede Kamer. De betrokkenheid is er dus zeker. Alleen is het niet altijd duidelijk wat al die activiteiten samen moeten opleveren voor leerlingen.’
Volgens haar ligt daar precies de uitdaging waar veel scholen nu voor staan: van losse initiatieven naar een samenhangende aanpak.
Burgerschap raakt de kern van onderwijs
Voor Romy is burgerschap in de eerste plaats geen verplicht nummer, maar een essentieel onderdeel van goed onderwijs. ‘Op school leren leerlingen niet alleen vakkennis. Ze leren ook hoe ze met anderen omgaan, hoe ze hun mening vormen en hoe ze deelnemen aan de samenleving. Denk aan samenwerken, respectvol communiceren en omgaan met verschillende perspectieven. Dat zijn vaardigheden die leerlingen hun hele leven nodig hebben.’
Juist in een samenleving waarin discussies scherper worden en informatie overal beschikbaar is, ziet zij een belangrijke rol voor scholen. ‘School is een plek waar leerlingen kunnen oefenen met dialoog, kritisch denken en verantwoordelijkheid nemen. Dat maakt burgerschap zo belangrijk.’


Begin bij de vraag: wat willen we leerlingen meegeven?
Wanneer scholen hun burgerschapsonderwijs willen versterken, begint het volgens Romy bij een fundamentele vraag: wat willen we onze leerlingen eigenlijk meegeven?
‘Die vraag helpt teams om samen richting te bepalen. Welke kennis vinden we belangrijk? Welke vaardigheden moeten leerlingen ontwikkelen? En welke houding willen we stimuleren?’ De wettelijke opdracht en de conceptkerndoelen bieden daarbij houvast, maar elke school moet volgens haar een eigen vertaling maken. Bij de vertaling moeten de school rekening houden met de leerlingenpopulatie. Die kan per school verschillen. Op sommige scholen ligt de nadruk bijvoorbeeld op samenleven in diversiteit, terwijl andere scholen meer aandacht besteden aan mediawijsheid of maatschappelijke betrokkenheid.
‘Scholen verschillen nu eenmaal in context en leerlingenpopulatie. Daarom werkt burgerschap het beste wanneer het aansluit bij de eigen school en omgeving.’
Van visie naar praktijk
Veel scholen hebben inmiddels een visie op burgerschap, maar vinden het lastig om die visie te vertalen naar het dagelijks onderwijs. Dat herkent Romy goed.
‘In gesprekken met scholen hoor ik vaak dezelfde vragen: hoe zorgen we dat burgerschap niet bij losse projecten blijft? Hoe nemen we het team mee? En hoe bouwen we aan samenhang?’ Volgens haar helpt het om te werken aan een duidelijke leerlijn. ‘Als burgerschap goed is ingebed, bouwen leerlingen elk jaar verder op wat ze eerder hebben geleerd. In de onderbouw gaat het bijvoorbeeld vaker over samenwerken en omgaan met verschillen. Later komt er meer aandacht voor maatschappelijke vraagstukken, debat en kritisch denken.’
Daarbij hoeft burgerschap niet per se een apart vak te zijn. ‘Het zit vaak al in vakken zoals geschiedenis, maatschappijleer of mentorlessen. De kunst is om die verbinding bewust te maken en de secties daar eigenaarschap in te geven.’
Zicht krijgen op ontwikkeling
Een vraag die scholen steeds vaker stellen, is hoe ze kunnen zien of hun burgerschapsonderwijs effect heeft. “Burgerschap meet je niet altijd met een toets,’ zegt Romy. ‘Maar je kunt wel kijken naar ontwikkeling.’
Scholen doen dat bijvoorbeeld door:
‘Het belangrijkste is dat je als school duidelijk kunt maken: dit willen wij dat leerlingen leren, en zo zien we dat ze daarin groeien.’
Van herstelopdracht naar kans
Hoewel de herstelopdrachten voor sommige scholen in eerste instantie spannend waren, ziet Romy ook iets positiefs gebeuren. ‘Veel scholen gebruiken dit moment om opnieuw naar hun onderwijs te kijken. Burgerschap raakt namelijk aan grote vragen: hoe bereiden we leerlingen voor op de samenleving? Hoe creëren we een veilige en open schoolcultuur? En hoe helpen we leerlingen om hun plek in de wereld te vinden?’ Volgens haar ligt daar juist de kracht van goed burgerschapsonderwijs.
‘Scholen doen vaak al meer dan ze denken. De volgende stap is om daar een duidelijke richting en samenhang in aan te brengen. Dan wordt burgerschap niet alleen een verplichting, maar een waardevol onderdeel van het onderwijs.’

